Omschrijving
Het monument voor kardinaal Dusmet staat op de Piazza San Francesco d'Assisi, in het historische centrum van Catania, en is opgedragen aan de 'heilige kardinaal' die de Catanezen nog altijd gedenken: Giuseppe Benedetto Dusmet, zevenentwintig jaar aartsbisschop van de stad, overleden in 1894 en zalig verklaard in 1988.
Het is meer een korte stop onderweg door het centrum dan een plek om lang te blijven: een standbeeld dat herinnert aan een figuur die 'nederig en tegelijk groots' was, zoals de bronnen hem noemen. Het werd ontworpen door Raffaele Leone en gebeeldhouwd door Silvestre Cuffaro, met medewerking van Mimì Maria Lazzaro en Elio Romano.
Op het voetstuk staat het begin van een uitspraak van hem over naastenliefde, de deugd die hem het meest kenmerkte. Het loont de moeite om haar van dichtbij te lezen: het is de eenvoudigste manier om te begrijpen waarom de Catanezen nog steeds aan hem gehecht zijn.
Dusmet werd in 1818 in Palermo geboren, in een adellijke familie, en trad als kind in de benedictijner abdij van San Martino delle Scale. Zijn vader, die hem getrouwd wilde zien, kon hem niet van zijn weg afbrengen: hij legde in 1840 zijn geloften af en werd het jaar daarna priester gewijd.
In 1854, tijdens een cholera-epidemie in Caltanissetta, onderscheidde hij zich door de zorg voor zieken van elke stand, 'zowel in de nederige hut als in de paleizen van de edelen'. De mensen gingen zeggen: 'laten we ons tot prior Dusmet wenden, want hij is een heilige'.
In 1858 werd hij abt van San Nicolò l'Arena, het grote klooster van Catania, en in 1862 moest hij daar Garibaldi met zijn staf ontvangen. In 1866 confisqueerde het nieuwe Koninkrijk Italië het klooster, en hij was de laatste die het verliet.
In 1867 benoemde Pius IX hem tot aartsbisschop van Catania. Hij kreeg te maken met uitbarstingen, aardbevingen, overstromingen en epidemieën. In 1886 bedreigde de lava Nicolosi en kwam daarna tot stilstand: de redding werd toegeschreven aan Sint-Agatha en de gebeden van de kardinaal. In 1889 maakte Leo XIII hem kardinaal.
Hij stierf op 4 april 1894, zo arm, zo wordt verteld, dat er niet eens een laken te vinden was om hem mee te bedekken. Sinds 1988 rust zijn lichaam in een urn onder het altaar van de Maagd in de kathedraal.
Het is meer een korte stop onderweg door het centrum dan een plek om lang te blijven: een standbeeld dat herinnert aan een figuur die 'nederig en tegelijk groots' was, zoals de bronnen hem noemen. Het werd ontworpen door Raffaele Leone en gebeeldhouwd door Silvestre Cuffaro, met medewerking van Mimì Maria Lazzaro en Elio Romano.
Op het voetstuk staat het begin van een uitspraak van hem over naastenliefde, de deugd die hem het meest kenmerkte. Het loont de moeite om haar van dichtbij te lezen: het is de eenvoudigste manier om te begrijpen waarom de Catanezen nog steeds aan hem gehecht zijn.
Dusmet werd in 1818 in Palermo geboren, in een adellijke familie, en trad als kind in de benedictijner abdij van San Martino delle Scale. Zijn vader, die hem getrouwd wilde zien, kon hem niet van zijn weg afbrengen: hij legde in 1840 zijn geloften af en werd het jaar daarna priester gewijd.
In 1854, tijdens een cholera-epidemie in Caltanissetta, onderscheidde hij zich door de zorg voor zieken van elke stand, 'zowel in de nederige hut als in de paleizen van de edelen'. De mensen gingen zeggen: 'laten we ons tot prior Dusmet wenden, want hij is een heilige'.
In 1858 werd hij abt van San Nicolò l'Arena, het grote klooster van Catania, en in 1862 moest hij daar Garibaldi met zijn staf ontvangen. In 1866 confisqueerde het nieuwe Koninkrijk Italië het klooster, en hij was de laatste die het verliet.
In 1867 benoemde Pius IX hem tot aartsbisschop van Catania. Hij kreeg te maken met uitbarstingen, aardbevingen, overstromingen en epidemieën. In 1886 bedreigde de lava Nicolosi en kwam daarna tot stilstand: de redding werd toegeschreven aan Sint-Agatha en de gebeden van de kardinaal. In 1889 maakte Leo XIII hem kardinaal.
Hij stierf op 4 april 1894, zo arm, zo wordt verteld, dat er niet eens een laken te vinden was om hem mee te bedekken. Sinds 1988 rust zijn lichaam in een urn onder het altaar van de Maagd in de kathedraal.